NSPOH

CanMeds raamwerk voor artsen

Het CanMeds Model is afkomstig van de Canadese methodiek om opleiding en bij‐ en nascholing voor zorgverleners te kwalificeren in termen van competenties. CanMeds is een samentrekking van de woorden Canadian Medical Education Directives for Specialists. Met competentie wordt gedoeld op een gedragsrepertoire waaruit blijkt dat een zorgverlener is toegerust met voldoende kennis en vaardigheden op dat gebied om goed te functioneren in de praktijk. De competenties zijn universeel en context gebonden aan activiteiten of taken. Voor de arts zijn zeven competentiegebieden gedefinieerd en elk competentiegebied omvat vier kerncompetenties.

Zeven competentiegebieden en 28 kerncompetenties

Medisch handelen

De specialist

1.1. bezit adequate kennis en vaardigheid naar de stand van het vakgebied

1.2. past het diagnostisch, therapeutisch en preventief arsenaal van het vakgebied goed toe en waar mogelijk evidence based

1.3. levert effectieve en ethisch verantwoorde patiëntenzorg

1.4. vindt snel de vereiste informatie en past deze goed toe

 

Communicatie

De specialist

2.1. bouwt effectieve behandelrelaties met patiënten op

2.2. luistert goed en verkrijgt doelmatig relevante patiëntinformatie

2.3. bespreekt medische informatie goed met patiënten en familie

2.4. doet adequaat mondeling en schriftelijk verslag over patiëntencasus

 

Samenwerking

De specialist

3.1. overlegt doelmatig met collegae en andere zorgverleners

3.2. verwijst adequaat 3.3. levert effectief intercollegiaal consult

3.4. draagt bij aan effectieve interdisciplinaire samenwerking en ketenzorg

 

Kennis en wetenschap

De specialist

4.1. beschouwt medische informatie kritisch

4.2. bevordert de verbreding van en ontwikkelt de wetenschappelijke vakkennis

4.3. ontwikkelt en onderhoudt een persoonlijk bij- en nascholingsplan

4.4. bevordert de deskundigheid van studenten, agio’s, collegae, patiënten en andere betrokkenen bij de gezondheidszorg

 

Maatschappelijk handelen

De specialist

5.1. kent en herkent de determinanten van ziekte

5.2. bevordert de gezondheid van patiënten en de gemeenschap als geheel

5.3. handelt volgens de relevante wettelijke regelgeving

5.4. treedt adequaat op bij incidenten in de zorg

 

Organisatie

De specialist

6.1. organiseert het werk naar een balans in patiëntenzorg en persoonlijke ontwikkeling

6.2. werkt effectief en doelmatig binnen een gezondheidszorgorganisatie

6.3. besteedt de beschikbare middelen voor de patiëntenzorg verantwoord

6.4. gebruikt informatietechnologie voor optimale patiëntenzorg en voor bij- en nascholing

 

Professionaliteit

De specialist

7.1. levert hoogstaande patiëntenzorg op integere, oprechte en betrokken wijze

7.2. vertoont adequaat persoonlijk en interpersoonlijk professioneel gedrag

7.3. kent de grenzen van de eigen competentie en handelt daar binnen

7.4. oefent de geneeskunde uit naar de gebruikelijke ethische normen van het beroep.