NSPOH

Onderwijs als de kopersectie van de jazzband

Gepubliceerd op 23 mei 2017

Het geloof in sturing laten we gedeeltelijk los, want een zeker mate van kakafonie is inherent aan onze samenleving geworden. Maar als het klopt dat we sociale wezens zijn die óók naar ritme en regelmaat zoeken, kan onderwijs ons helpen om ritmes te herkennen, het samenspel van de band te begrijpen, een passend instrument te vinden en te leren mééspelen.

Onderwijs als de kopersectie van de jazzbandOn the edge of chaos?

“Er is in deze tijd sprake van een enorme complexiteit en fluïditeit, waardoor de maatschappij chaotisch, problematisch en paniekerig kan overkomen. Maar tegelijkertijd is er sociale orde, (…). Er liggen onder de drukte, de snelheid, de kakafonie nog steeds ritmes: regels en verbanden van bezielde individuen, die ervoor zorgen dat er richting ontstaat.[1]” Inderdaad, veranderingen gaan steeds sneller, en komen vaker uit onverwachte hoek. En: “Ordening werkt pas, wordt pas geaccepteerd als het aansluit bij wat burgers doen en willen. Zo werkt de improvisatiemaatschappij “

Als partners in de kennisinfrastructuur herkennen wij het licht chaotische karakter van de jazzband van de publieke gezondheid, en we proberen daarin onze rol te spelen. Die rol kent gelukkig ook ritme en enige regelmaat, voortvloeiend uit onze positie als opleiders van professionals in de sector (wij zijn tenslotte zelf ook een ‘institutie’), maar het spel ligt niet vast. Ook anderen zijn bezig met het versterken van professionals, transformeren relevante kennis uit praktijk of wetenschap en dragen die uit. Wij moeten begrijpen wat anderen in de jazzband beweegt, daarmee rekening houden, en tegelijktijdig wel onze eigen professie vasthouden en doorontwikkelen.

De professional

Wie staat er echt met beide benen in de improvisatiemaatschappij? Dat zijn nu juist de professionals! Wat hebben zij nodig om hun rol in de lokale jazzband vakkundig en met plezier te vervullen? We pikken er enkele aspecten uit.

Als we om ons heen kijken dan zien we dat we meer dan in het verleden alert moeten zijn op maatschappelijke ontwikkelingen die invloed hebben op ons werk. We kunnen niet langer ‘op een instrumentele manier naar burgers kijken’, [1] oftewel: ze doen niet meer automatisch wat professionals zeggen. Het professionele gezag is minder vanzelfsprekend en moet in elke discussie opnieuw verdiend worden. Burgers zijn kritischer geworden en willen meepraten, terwijl de nuances van wetenschappelijke discussies (hoe groot is de kans op herintroductie van polio uit het buitenland?) zich niet gemakkelijk laten vertalen naar het grote publiek. Professionals moeten beter leren communiceren over ‘moeilijke’ onderwerpen, wanneer bijvoorbeeld professionele richtlijnen schuren met de autonomie van individuele burgers. Dankzij de wereldwijde succes van poliobestrijding kunnen we ruimte maken voor de autonomie van ouders om niet te vaccineren, maar dat moet niet uit de hand lopen. In de discussie over vaccineren zien we dat ‘alternatieve’ interpretaties van wetenschappelijk onderzoek niet gemakkelijk gepareerd kunnen worden met evidence. Het gaat niet alleen om vakkennis, maar ook om attitude en gespreksvaardigheden.

Ook andere kennisbronnen dienen zich ongevraagd aan: big data, the internet of things, artificial intelligence, robotisering – vrij plotseling kunnen er heel nieuwe inzichten verschijnen.

Een ander voorbeeld betreft het werken van professionals in de ‘frontlijn’, in de wijk waar problemen zich bij kwetsbare groepen stapelen. Daar vraagt de complexiteit vaker om improvisatie en bending the rules om tot creatieve en adequate oplossingen te komen. [2]

Naast dit alles is de professionele functie ook nog eens minder zeker geworden: reorganisaties vinden overal plaats en taakverschuivingen, bijvoorbeeld van jeugdarts naar de jeugdverpleegkundige, lijken onvermijdelijk. Dit zijn tegelijkertijd zowel bedreigingen als nieuw kansen. Net als in een jazzband: geen enkele tune is ‘eigendom’ van een speler, rollen verschuiven en thema’s worden herhaald in wisselende combinaties van spelers.

Wat betekent dit nu voor het opleiden van professionals?

Om te beginnen kunnen we professionals beter leren omgaan met de fluïditeit van onze omgeving. Dat betekent meer aandacht voor ‘beleid en strategie’, zodat ze eerder veranderingen aan zien komen en maatschappelijke ontwikkelingen leren vertalen: wat betekent dit voor mij en voor andere actoren? Waar sturing en een eenduidige interpretatie van de werkelijkheid afnemen, ontstaat ook ruimte voor creativiteit en nieuwe coalitievorming op lokaal niveau. Zowel in de frontlinie in de samenwerking met andere disciplines, als in het backoffice, waar op stafniveau nagedacht wordt over samenwerking met andere partijen in het veld. Degenen die competent zijn op het vlak van professioneel leiderschap kunnen proactief handelen. Zij weten als sociaal ondernemer een window of opportunity te vinden waarbij een innovatie draagvlak krijgt, bevestigd wordt in nieuw beleid, liefst geschraagd door resultaten uit wetenschappelijk onderzoek dat aansluit bij de regionale politieke agenda.

Voor het onderwijs betekent dit: meer dan voorheen laten zien hoe de samenhang tussen beleid, onderzoek, onderwijs en praktijk (BOOP) werkt en concreet ingevuld kan worden. De samenhang in maatschappelijke ontwikkelingen snappen en kunnen benutten worden belangrijker dan beschikken over detailkennis. Dat betekent iets voor zowel de inhoud van het onderwijs, als het strategisch beleid.

We geven het thema professioneel leiderschap een prominentere plek in het onderwijs en we proberen in de onderzoeksscholing meer in te bedden in academische werkplaatsen.

Op strategisch niveau betekent het dat we de BOOP-samenhang zouden willen versterken. Wat betreft de maatschappelijke focus gaapt er nu nog een kloof tussen de onderzoeksprioriteiten van de umc’s en de behoeften vanuit de samenleving [3]. In lijn met het advies van de Gezondheidsraad pleiten we samen met hoogleraren sociale geneeskunde voor meer structurele financiering voor onderzoek in de publieke gezondheidszorg.

De kopersectie van de jazzband: die legt toch wel een stevige basis voor sfeer en tempo van het optreden. Het onderwijs mag van ons als een kopersectie van de jazzband overal doorheen tetteren. Want niets is zo krachtig en gezond makend als goed onderwijs.

Literatuur

  1. Boutellier H. De improvisatiemaatschappij. Over de sociale ordening van een onbegrensde wereld. Den Haag: Boom Uitgevers; 2010.
  2. Delden PJ van. Samenwerking in de frontlijn. Een nieuw ijkpunt voor professionalisme. M&O. 2011;6:16-28.
  3. Gezondheidsraad. Onderzoek waar je beter van wordt. Den Haag: Gezondheidsraad; 2016.

Petrien Uniken Venema & Erik RulandPetrien Uniken Venema, algemeen directeur

Erik Ruland, arts M&G, opleider/adviseur  medische vervolgopleiding Maatschappij & Gezondheid

 

mei 2017

 

Via e-mail reageren op dit artikel? Klik op de naam van de auteur.